Bijlage I, het raamwerk docentcompetenties uitgewerkt in gedragsindicatoren

Competenties;

  1. De docent weet welke ict-faciliteiten hij tot zijn beschikking heeft of zou moeten hebben in een specifieke context en wat de consequenties daarvan zijn voor het educatief ict-gebruik;
  2. De docent kan nieuwe ict-middelen selecteren en zich snel eigen maken, hij volgt technologische ontwikkelingen actief en probeert deze nieuwe toepassingen uit;
  3. De docent kan ict effectief inzetten voor onderwijsleerprocessen.

Gedragsindicatoren;

  1. oriënteert zich op diverse online, op onderwijs gerichte omgevingen, specifiek ondersteunende systemen voor onderwijs zoals elektronische leeromgevingen en studentvolgsystemen;
  2. is op de hoogte van recente, relevante technologische ontwikkelingen;
  3. is nieuwsgierig naar nieuwe ict-middelen;
  4. laat zien zich verschillende nieuwe ict-middelen snel eigen gemaakt te hebben;
  5. duidt voor- en nadelen van bestaande ict-faciliteiten voor het gebruik voor leren en lesgeven;
  6. gebruikt online op onderwijs gerichte omgevingen die hij tot zijn beschikking heeft en begrijpt hoe de systemen daarbinnen samenhangen;
  7. voegt nieuwe (didactische) ict-middelen toe aan de bestaande ict-omgeving van de organisatie (opleiding, academie, hogeschool);
  8. zet ict-middelen in voor andere groepen studenten of andere vakken dan waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld zijn.